Mannen met pannen (1)

In de New York Times las ik laatst een bespreking van het boekje Man with a pan, over mannen die thuis koken, voor zichzelf of voor hun vrouw en kinderen. Een fascinerend boekje, leek me, met leuke illustraties. Ik kocht het na het lezen van de bespreking meteen, voor op de Kindle. Het boekje bevat verhalen van en over mannen die koken en dan hebben we het niet over chefs die een restaurant drijven, het betreft mannen die andere bezigheden hebben dan de hele dag koken. Die mannen vertellen onder andere waarom ze zijn gaan koken, waar of hoe ze het hebben geleerd en ze geven recepten, veelal hun favoriete recepten. In al die verhalen is er dus wel een reden waarom ze zijn gaan koken. Omdat they love to cook bijvoorbeeld, of omdat hun vrouw werkt, ze het niet leuk vindt, of omdat hun vader ook altijd/soms kookte.
Het boekje zette me aan het denken. Ik kook – net als die mannen uit dit boekje – meestal de avondmaaltijd en regelmatig een warme brunch met omeletten. Ik kook al mijn hele – bewuste – leven, toen ik het huis uitging om te studeren in ieder geval zeker al. Kookte ik thuis? Ik heb eigenlijk geen idee. Vroeger – in de jaren vijftig – toen ik nog klein was, kookte mijn moeder. Toen dat niet meer ging, kookte mijn vader. Wat we in die jaren vijftig en zestig thuis aten? Ik weet het niet echt goed meer, in ieder geval gewone Hollandse kost als stamppotten, hachee of bruine bonensoep. En allerlei andere soepen. Bietenstamppot met een lekkerbekje van de visboer. Urenlang gestoofd draadjesvlees.
In Man with a pan zijn een aantal van die mannen op zoek naar een recept uit hun jeugd, naar het recept van de kerrieschotel die een vader maakte, het recept van de rode rijst van de buren of van de smashed potatoes die een tante in India maakte. Naar welk recept, naar welke schotel uit mijn jeugd zou ík op zoek moeten gaan? Welk geheim ingrediënt mis ik in de groentesoep zoals mijn vader die maakte?
Een gerecht wat ik in ieder geval nog regelmatig maak en waarbij ik altijd aan hem moet denken, is een eenvoudig omelet met ui en tomaat, waarvan ik wel vaak het idee heb, dat hij het lekkerder maakte dan ik nu doe.
Ik zie dan wel altijd heel helder de keuken voor me op het Bellamyplein,  een keuken zonder warm stromend water, met een driepits-gasstel, de wringer voor de was.
Ik mocht dan bij het omelet helpen, maar wat ik deed? Toekijken waarschijnlijk en steevast zag ik mijn vader de uitjes verbranden. Er was op een of andere manier  altijd haast geboden, dus ging de vlam hoog en gingen de uien te hard, iets – die haast en dat verbranden van die uitjes – wat ik bij mezelf probeer te onderdrukken en voorkomen. Maar misschien is dat wel het geheime ingrediënt: haast en te hard gebakken uitjes. Voor de rest maak ik het omelet hetzelfde.
Ingrediënten voor z’n tweeën: 3 eieren, een halve, niet zo’n grote, ui en twee kleine tomaten. Een niet al te grote koekenpan. Uitje snipperen en uitje bakken. Als je het wilt doen zoals mijn vader: boter of olie flink heet laten worden (de boter niet verbranden natuurlijk), en dat snel en flink heet bakken, zodat ze bruin worden. Tomaten in stukjes erbij, even meebakken en dan de geklutste eieren (zout en peper en een beetje melk) over het tomaten-ui-mengsel verspreiden. Zet het vuur laag. Deksel erop en wachten totdat de eieren gestold zijn. Als je zin hebt doe je er een beetje peterselie overheen, iets wat we thuis niet deden overigens.

Tags: , , , ,

7 Reakties

  1. Hahaha super! Ik wacht met smart op de Amsterdamse versie!

  2. Wij woonden vroeger naast een groot bos. We aten dan ook zeer regelmatig wild. Mijn moeder was een ster in het maken van wild konijn, fazant en hert. Altijd met sjalotjes, nooit ui en een flinke scheut wijn bij de fazant en het hert en een flesje oudbruin of trappist bij het konijn.
    Mijn vader kookte altijd Indisch. Hij was een oud KNIL-er die 18 jaar in Indië heeft gezeten, zoals hij het zelf altijd noemde. Mijn moeder mocht absoluut geen rijst koken, want dat kon ze niet vond hij. Dus stond hij voor dag en dauw op om de rijst te koken en die langzaam gaar te laten stomen.

  3. @Anna Corbey: In het boekje waar ik het over heb staat ook een stuk van iemand die vertelt over jagen op het platte land ergens in het grote Amerika. En hij – jager en vader – maakte dat zelfgeschoten wild ook klaar. Dat verhaal of die man was een beetje over de top, maar het was wel leuk om te lezen.
    Ja, rijst koken, daar kan je hele boeken over lezen. We hebben een Chinees Magnetron rijstkokertje, wat je ook op allerlei manieren kunt gebruiken. Vijf minuten op de hoogste wattage, dan een paar minuten op de gelt en het dan nog 10 minuten laten staan. En daar dan allerlei variaties op.

  4. Je moet aan V vragen over zijn jacht ervaringen in Portugal met zijn vader en de wildschotels dat ze koken.

  5. Rijst werd bij ons thuis in bed gegaard, onder de dekens lag dan een bobbel, je mocht dan niet op bed springen.
    Verder kan ik me de eeuwig durende jus herinneren. We aten natuurlijk niet elke dag vlees (en kip alleen met de feestdagen (en die kon naar vis smaken omdat de kippen met visafval gevoerd waren)). Maar jus had je wel elke dag nodig. Die jus werd dus in flinke hoeveelheden aangemaakt en de rest werd ook weer toegevoegd als er weer nieuw vlees gemaakt werd.

  6. haha, ik doe de rijst ook vaak in ons bed, om na te garen of warm te houden.
    mijn oma had nog een echte hooikist, speciaal hiervoor.
    zuinig met energie!!!

  7. Mijn vader kookte vaak en net even anders dan mijn moeder. Als zij flensjes bakte, dan maakte hij pannekoeken als wagenwielen. Aan sommige gerechten werkten we met zijn drietjes. Verse friet met zelfgemaakte mayonaise en ook advocaat. Wij aten vaak orgaanvlees en ook wild. Behalve niertjes, lever en maag kookte hij ook uier. Voor de honden, zei hij, maar wanneer het warm uit de pan kwam, dan sneed hij plakken van de schuimachtige massa en besmeerde die met grove mosterd. Smullen! Koud was het niet te (vr)eten. Van de maag of ‘tripe’ herinner ik me een diner in onze laatste woning in Amsterdam, aan de Ceintuurbaan, met Aatje Veldhoen, Guillaume Lo-A-Njoe en Simon Vinkenoog, waarbij ik op een stapel telefoonboeken aan tafel zat.
    Mijn man maakt uitstekende eierstruif, dat heeft hij op de middelbareschool geleerd, en draadjesvlees, maar daar houdt zijn interesse in koken bij op.

Reageer